Plan:
Bemelen
Status:
vastgesteld
Versie:
1
Plantype:
ex art. 10 WRO beheer/ontwikkeling
IMRO-idn:
NL.IMRO.09360000BPLKOM02000-
Artikel 12 agrarische bedrijfsdoeleinden.
Lid A Doeleindenomschrijving.

De op de plankaart als zodanig aangewezen gronden zijn bestemd voor agrarische bedrijfsdoeleinden en de daarbij behorende voorzieningen en voor wonen.

Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de op de plankaart aangeduide:

  • cultuurhistorische waarden;
  • archeologische waarden,

zijn primair de desbetreffende bepalingen van deze voorschriften van toepassing.

Lid B Beschrijving in hoofdlijnen.

Ter verwezenlijking van de onder lid A. beschreven doeleinden wordt het volgende beleid gevoerd:

  1. gestreefd wordt naar continuering van de bestaande agrarische bedrijven. Daartoe is de omvang van de toegekende bouwblokken en de daarop aanwezige bouwmogelijkheden afgestemd op de huidige grootte van de agrarische bedrijven. Uitbreiding van het bouwblok is alleen mogelijk binnen het kader van de BOM+ regeling van de provincie Limburg.
  2. gestreefd wordt naar landschappelijke inpassing van de agrarische bebouwing conform de BOM+ regeling van de provincie Limburg. Daartoe kunnen Burgemeester en Wethouders bij nieuwbouw, waarbij landschappelijke belangen in het geding zijn, zo nodig om landschappelijke inpassing van de bebouwing vragen.
  3. omschakeling van een bestaand grondgebonden bedrijf naar een niet-grondgebonden bedrijf is niet toegestaan.
  4. mestopslag dient binnen het bouwvlak plaats te vinden en is slechts toegestaan tot een maximale maat van 2.500 m3.
  5. het gebruik van de gronden als kampeerterrein, waaronder begrepen kamperen bij de boer, wordt niet toegelaten.
  6. boogkassen/tunnels zijn enkel toelaatbaar als ondersteunende activiteit bij de agrarische bedrijfsvoering, tot een maximum oppervlak van 2.500 m².
Lid C Het gebruik van de grond voor bebouwing.

Op de tot "agrarische bedrijfsdoeleinden” aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • gebouwen, geen woning zijnde, ten behoeve van het in de aanhef genoemde gebruik;
  • één bedrijfswoning per bouwperceel, tenzij anders aangeduid op de plankaart,

en de daarbij behorende andere bouwwerken, welke qua aard en afmeting bij deze bestemming passen, met dien verstande dat:

  1. gebouwen uitsluitend in het bouwvlak mogen worden gebouwd;
  2. de voorgevel in of evenwijdig aan de naar de weg gekeerde bouwgrens zal worden gebouwd;
  3. de goothoogte van gebouwen, geen woning zijnde, ten hoogste 6.50 m mag bedragen;
  4. een bedrijfswoning in ten hoogste 2 bouwlagen mag worden gebouwd, ieder afzonderlijk met een hoogte van ten minste 2.60 m en ten hoogste 3.20 m;
  5. de inhoud van een bedrijfswoning ten minste 250 m3 zal en ten hoogste 750 m3 mag bedragen;
  6. gebouwen met een kap van ten minste 30° en ten hoogste 60° zullen worden afgedekt;
  7. de hoogte van andere bouwwerken ten hoogste 8.00 m mag bedragen, met uitzondering van de hoogte van erfafscheidingen welke ten hoogste 2.00 mag bedragen;
  8. de hoogte van boogkassen/tunnels ten hoogste 3.25 m mag bedragen.
Lid D Gebruik van de grond anders dan voor bebouwing.

Onder verboden gebruik, zoals bedoeld in artikel 5, lid A., wordt verstaan het gebruik anders dan voor:

  1. open bedrijfsterrein;
  2. tuin en/of groenvoorzieningen;
  3. opslagdoeleinden, uitsluitend binnen het bouwvlak en inherent aan het toegelaten gebruik.
Lid E Gebruik van opstallen.

Onder verboden gebruik zoals bedoeld in artikel 6, lid A., wordt ten minste verstaan het gebruik van opstallen voor:

  1. ambachtelijke en/of industriële doeleinden;
  2. detailhandel en groothandel, anders dan in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, verwerkt of bewerkt, dan wel waarvan de verkoop inherent en van ondergeschikte betekenis is aan het toegelaten bedrijf;
  3. horecadoeleinden;
  4. verblijfsrecreatieve doeleinden;
  5. opslagdoeleinden, anders dan inherent aan het toegelaten gebruik.
Lid F Vrijstellingsbevoegdheid.

Burgemeester en Wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in:

  1. lid A., ten behoeve van het toestaan van andere activiteiten dan agrarische bedrijfsdoeleinden, in het kader van de dynamische ontwikkeling van het landelijk gebied en ter versterking van de recreatieve functie van het platteland, zoals de uitoefening van activiteiten op het gebied van ambachtelijke nijverheid, horeca, boerderijverkoop, expositie en tentoonstelling, cultuur en educatie, gezondheidsrecreatie en/of daarmee qua aard en omvang naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders gelijk te stellen activiteiten,

mits:

  • de niet agrarische activiteiten qua aard en omvang bij de specifieke kwaliteit en schaal van de omgeving passen en plaatsvinden bij een functionerend agrarisch bedrijf;
  • de agrarische functie in overwegende mate gehandhaafd blijft, alleen aan de agrarische hoofdfunctie ondergeschikte activiteiten zijn toegestaan;
  • de activiteiten in beginsel plaatsvinden in de bestaande bebouwing, indien aantoonbaar is dat voor de niet agrarische activiteiten nieuwe bebouwing noodzakelijk is, dan vindt er een afweging plaats via de BOM+regeling;
  • de activiteiten geen hinder of belemmeringen veroorzaken voor omliggende bedrijven of woningen;
  • aangrenzende waarden en belangen niet onevenredig worden geschaad.
  1. lid C., onder 1., ten behoeve van het overschrijden van de bouwgrenzen, respectievelijk het vergroten van het bouwvlak,

mits:

  • de noodzaak daartoe vanuit de bedrijfsvoering is aangetoond;
  • landschappelijke en cultuurhistorische waarden en belangen en het aangrenzende woon- en leefmilieu niet onevenredig worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van bedoelde waarden niet wezenlijk worden verkleind.
  1. lid C., onder 3. en 7., ten behoeve van het vergroten van de goothoogte van gebouwen, geen woning zijnde, en de hoogte van andere bouwwerken, geen erfafscheidingen zijnde, met dien verstande, dat:
  1. de goothoogte van gebouwen, geen woning zijnde, ten hoogste 8.00 m mag bedragen;
  2. de hoogte van andere bouwwerken ten hoogste 15.00 m mag bedragen,

mits:

  • landschappelijke en cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast;
  • het stedenbouwkundige beeld niet onevenredig wordt aangetast;
  • aangrenzende waarden en belangen niet onevenredig worden geschaad.
  1. lid C., onder 5., ten behoeve van het vergroten van de maximale inhoud van de voor bewoning toegestane ruimte binnen de bestaande bebouwing ten behoeve van de huisvesting van de rustende boer, met dien verstande, dat:
  1. de inhoud ten hoogste 1000 m3 mag bedragen,

mits:

  • dit niet leidt tot een zelfstandige extra woning.
  1. lid E., onder 4. voor het exploiteren van een bed and breakfast,

mits:

  • het pand is aangeduid als rijks- of gemeentelijke monument, dan wel een minimale inhoud heeft van 800 m3 met inachtneming van een afwijking van 15%;
  • de agrarische functie als hoofdfunctie gehandhaafd blijft, c.q. het agrarisch bedrijf als zodanig blijft functioneren;
  • de bed and breakfast binnen de bestaande bebouwing wordt gerealiseerd;
  • de stedenbouwkundige, cultuurhistorische en/of architectonische waarden van het complex behouden blijven;
  • de bed and breakfast door de bouwkundige opzet, indeling en maatvoering niet kan functioneren als een zelfstandige woning. Een aparte kookgelegenheid bij de bed and breakfast is niet toegestaan;
  • in voldoende parkeerplaatsen wordt voorzien;
  • er geen onevenredig nadelige gevolgen voor omliggende bedrijven kunnen ontstaan,

met dien verstande, dat:

  1. het agrarisch bedrijf als zodanig herkenbaar blijft;
  2. ten hoogste 8 slaapplaatsen per bed and breakfast mogen worden gerealiseerd.
  1. lid E., onder 4. ten behoeve van het toestaan van verblijfsrecreatie in de vorm van vakantieappartementen, mits:
  • het pand is aangeduid als rijks- of gemeentelijke monument, dan wel een minimale inhoud heeft van 800 m3 met inachtneming van een afwijking van 15%;
  • de agrarische functie als hoofdfunctie gehandhaafd blijft, c.q. het agrarisch bedrijf als zodanig blijft functioneren;
  • de vakantieappartementen binnen de bestaande bebouwing kunnen worden gerealiseerd. Alleen wanneer de noodzaak daartoe is aangetoond, ter verkrijging van kwalitatief hoogwaardige appartementen dan wel ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit of inpassing in de omgeving van het complex, is uitbreiding of vervanging van bestaande bebouwing binnen het bouwvlak toegestaan;
  • de totstandkoming van een goed verblijfsklimaat in de te realiseren vakantieappartementen gegarandeerd kan worden;
  • de stedenbouwkundige, cultuurhistorische en/of architectonische waarden van het complex behouden blijven;
  • in voldoende parkeerplaatsen wordt voorzien;
  • de vakantieappartementen geen hinder of belemmeringen veroorzaken voor omliggende bedrijven of woningen,

met dien verstande, dat

  1. het agrarisch bedrijf als zodanig herkenbaar blijft;
  2. het vloeroppervlak van een vakantieappartement, inclusief daartoe behorende bijgebouwen, ten minste 50 m² zal en ten hoogste 100 m² mag bedragen;
  3. ten hoogste 5 vakantieappartementen per agrarisch bedrijf mogen worden gerealiseerd.

Burgemeester en Wethouders volgen bij het toepassen van de vrijstellingsbevoegdheid de in 'Paragraaf IV overige bepalingen' omschreven procedure.

Lid G Wijzigingsbevoegdheid.

Burgemeester en Wethouders kunnen de bestemming wijzigen in de bestemming "woondoeleinden" en de bestemming “verkeersdoeleinden”, met dien verstande, dat:

  1. de bouwmassa niet mag toenemen, wat tot uitdrukking zal worden gebracht door een op de functie afgestemd bouwvlak;
  2. de inhoud van een woning ten minste 250 m3 zal bedragen;
  3. indien één of meerdere woningen worden gerealiseerd, voorafgaand aan de realisatie het oppervlak aan bijgebouwen per woning teruggebracht is tot ten hoogste 100 m², tenzij:
  • er sprake is van bijgebouwen met landschappelijke, cultuurhistorische en/of architectonische waarden;
  • er sprake is van bouwkavels van 1000 m² per woning, waarbij voorafgaand aan de realisatie het oppervlak aan bijgebouwen moet zijn teruggebracht tot ten hoogste 120 m² per woning;
  1. bij wijziging wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 8 respectievelijk 16, met dien verstande, dat het wijzigingsplan duidelijkheid geeft over (nieuwe) bouwvlakken en bijbouwvlakken, alsmede het aantal en de aard van de woningen,

mits:

  • de bedrijfsactiviteiten ter plaatse zijn beëindigd;
  • het perceel waarvan de bestemming wordt gewijzigd is gelegen binnen de door de provincie Limburg bepaalde rode contour, zoals aangeduid op de plankaart;
  • de cultuurhistorische en/of architectonische waarden van het complex behouden blijven;
  • de totstandkoming van een goed woonklimaat in de te realiseren woningen gegarandeerd kan worden, c.q. geen milieuhygiënische bezwaren tegen realisering van de woningen bestaan;
  • door de woningbouw geen strijdigheid ontstaat met de planning, zoals opgenomen in de 'Regionale Woonvisie Maastricht en Mergelland 2010' van de regio Maastricht en Mergelland;
  • de bodemkwaliteit en luchtkwaliteit, blijkens onderzoek vooraf, zodanig zijn, dat geen bezwaren bestaan tegen de realisering van woningen;
  • aangrenzende waarden en belangen niet onevenredig worden aangetast.

Burgemeester en Wethouders volgen bij het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid, de in afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht omschreven procedure.

Lid H Nadere eisen.
  1. Burgemeester en Wethouders kunnen, rekening houdende met het gestelde in de beschrijving in hoofdlijnen, nader eisen stellen ten aanzien van:
  • de situering, de oppervlakte, de (goot)hoogte van bebouwing;
  • de aarde, hoogte en de situering van erfafscheidingen,

waarbij de regels zoals deze gesteld zijn in de POL-uitwerking BOM+ in acht dienen te worden genomen.

  1. De onder a. genoemde nadere eisen mogen uitsluitend worden gesteld:
  • indien die noodzakelijk is voor een verantwoorde stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing;
  • ter voorkoming van onevenredige aantasting en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.