Plan:
Bemelen
Status:
vastgesteld
Versie:
1
Plantype:
ex art. 10 WRO beheer/ontwikkeling
IMRO-idn:
NL.IMRO.09360000BPLKOM02000-
Artikel 13 agrarisch gebied.
Lid A Doeleindenomschrijving.

De op de plankaart als zodanig aangegeven gronden zijn bestemd voor agrarisch grondgebruik en de opvang, buffering en infiltratie van hemelwater.

Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de op de plankaart aangeduide:

  • archeologische waarden,

zijn primair de desbetreffende bepalingen van deze voorschriften van toepassing.

Lid B Beschrijving in hoofdlijnen.

Ter verwezenlijking van de onder lid A. beschreven doeleinden wordt het volgende beleid gevoerd:

  1. het beleid is gericht op het behoud van cultuurgronden als basis voor de agrarische bedrijfsvoering van aangrenzende agrarische bedrijven.
  2. bij beŽindiging van aangrenzende agrarische bedrijven is het beleid erop gericht de gronden te benutten voor structuurverbetering binnen de kern Bemelen, i.c. de realisering van woningen en/of groen- en speelvoorzieningen en/of parkeervoorzieningen en/of voorzieningen voor de opvang, buffering en infiltratie van hemelwater.
  3. het vestigen van nieuwe agrarische bedrijven is niet toegestaan.
Lid C Gebruik van de grond voor bebouwing.

Op of in de tot “agrarisch gebied” aangewezen gronden mag niet worden gebouwd.

Lid D Gebruik van de grond anders dan voor bebouwing.

Onder strijdig gebruik als bedoeld in artikel 5, lid A. wordt ten minste verstaan het gebruik van gronden:

  1. als staan- of ligplaats voor onderkomens, behoudens voor zover en voor zolang de aanwezigheid van onderkomens nodig is in verband met in het agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden uit te voeren werken of werkzaamheden;
  2. voor sport-, wedstrijd- of speelterreinen, parkeerterreinen, zwemgelegenheden, maneges, lig- en speelweiden anders dan ten behoeve van extensief recreatief medegebruik;
  3. voor het beproeven van voertuigen; voor de beoefening van de motorsport; voor het houden van wedstrijden met motorrijtuigen, of bromfietsen;
  4. voor het racen of crossen met motorrijtuigen, mountainbikes of bromfietsen, met uitzondering van het racen of crossen met mountainbikes wanneer dit plaats vindt op een (regionale) mountainbikeroute;
  5. voor militaire oefeningen;
  6. voor het winnen van bosstrooisel, mos of mergel;
  7. als staanplaats voor wagens, geschikt en bestemd voor de uitoefening van handel;
  8. als camping;
  9. voor kassen;
  10. voor opslag;
  11. voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden ten behoeve van doeleinden als omschreven in dit lid onder 1. tot en met 10..
Lid E Werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden waarvoor een aanlegvergunning vereist is.
  1. het is verboden op of in de tot “agrarisch gebied” aangewezen gronden, zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning (aanlegvergunning) van Burgemeester en Wethouders, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het amoveren van wegen, het aanleggen of verharden van wegen, paden op parkeergelegenheden, picknickplaatsen en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  2. het ontginnen, bodem verlagen of afgraven, het ophogen, het egaliseren;
  3. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur, tenzij zulks noodzakelijk is voor of verband houdt met het op de bestemming gericht gebruik van de grond;
  4. het verwijderen van landschapselementen.
  1. het in dit lid, onder a. bepaalde is niet van toepassing voor:
  1. werkzaamheden, normale onderhoudswerkzaamheden zijnde;
  2. werken of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis;
  3. werken of werkzaamheden binnen het kader van de normale bodemexploitatie en het normale bodemgebruik;
  4. werken ten behoeve van de aanleg van voorzieningen voor de opvang, buffering en/of infiltratie van hemelwater;
  5. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning, vrijstelling of anderszins mogen worden uitgevoerd.
  1. de werken of werkzaamheden als bedoeld in dit lid, onder a. zijn slechts toelaatbaar, indien door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de in de leden A. en B. genoemde waarden, belangen en doeleinden niet onevenredig worden aangetast dan wel de mogelijkheden voor het herstel van de eerstbedoelde waarden niet wezenlijk worden verkleind.

Burgemeester en Wethouders volgen bij het toepassen van de aanlegvergunning de in 'Paragraaf IV overige bepalingen' omschreven procedure.

Lid F Wijzigingsbevoegdheid.

Burgemeester en Wethouders kunnen de bestemming wijzigen in de bestemming:

  1. "woondoeleinden", met dien verstande, dat:
  1. bij wijziging wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 8, met dien verstande, dat het wijzigingsplan duidelijkheid geeft over (nieuwe) bouwvlakken en bijbouwvlakken, alsmede het aantal en de aard van de woningen,

mits:

  • het perceel waarvan de bestemming wordt gewijzigd is gelegen binnen of grenzend aan de door de provincie Limburg bepaalde rode contour, zoals aangeduid op de plankaart;
  • de totstandkoming van een goed woonklimaat in de te realiseren woningen gegarandeerd kan worden, c.q. geen milieuhygiŽnische bezwaren tegen realisering van de woningen bestaan;
  • door de woningbouw geen strijdigheid ontstaat met de planning, zoals opgenomen in de 'Regionale Woonvisie Maastricht en Mergelland 2010' van de regio Maastricht en Mergelland;
  • de bodemkwaliteit en luchtkwaliteit, blijkens onderzoek vooraf, zodanig zijn, dat geen bezwaren bestaan tegen de realisering van woningen;
  • aangrenzende waarden en belangen niet onevenredig worden aangetast.
  1. “groenvoorzieningen” en "verkeersdoeleinden", met dien verstande, dat:
  1. bij wijziging voor zover van toepassing, wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 16 en 17,

mits:

  • de bodemkwaliteit, blijkens bodemonderzoek vooraf, zodanig is, dat geen bezwaren bestaan tegen de realisering van verkeersvoorzieningen als wegen, voetpaden en parkeerplaatsen;
  • aangrenzende waarden en belangen niet onevenredig worden aangetast.

Burgemeester en Wethouders volgen bij het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid, de in afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht omschreven procedure.