Plan:
BP Banholt
Status:
vastgesteld
Versie:
2
Plantype:
ex art. 10 WRO beheer/ontwikkeling
IMRO-idn:
NL.IMRO.09360000BPLKOM03000-
Artikel 15 agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden.

Lid A. Doeleindenomschrijving.

De op de plankaart als zodanig aangegeven gronden zijn bestemd voor behoud en/of herstel van de aldaar voorkomende dan wel daaraan eigen landschappelijke, bodemkundige, cultuurhistorische, landschapsecologische en/of natuurwetenschappelijke waarden en/of ter bescherming van de waarden van het aangrenzende gebied, alsmede voor duurzaam agrarisch grondgebruik en extensief recreatief medegebruik, met dien verstande, dat het behoud of herstel van genoemde waarden en de bescherming van het aangrenzend gebied voorop staan.

Voor zover de gronden zijn gelegen binnen de op de plankaart aangeduide:

  • beschermingszone watergang,

zijn primair de desbetreffende bepalingen van deze voorschriften van toepassing.

Lid B. Beschrijving in hoofdlijnen.

Ter verwezenlijking van de onder lid A. beschreven doeleinden wordt het volgende beleid gevoerd:

  1. het beleid is met name erop gericht de samenhang van de agrarische, landschappelijke, landschapsecologische en natuurwetenschappelijke waarden op een kwalitatief hoog peil te handhaven en te ontwikkelen.
  2. de landschapvisuele waarden worden mede bepaald door de kleine landschapselementen.
  3. bij de activiteiten ten behoeve van in deze bestemming toegelaten doeleinden zal mede gestreefd worden naar het behoud van cultuurgronden als basis voor de agrarische bedrijfsvoering.
  4. met het oog op het extensief recreatief medegebruik mogen, rekening houdend met de onder lid A. genoemde doeleinden en de overige bepalingen van dit artikel, kleinschalige voorzieningen worden geplaatst.
  5. het cultuurhistorisch patroon van onverharde wegen zal zoveel als mogelijk intact worden gehouden.
  6. het gebruik van de gronden als kampeerterrein wordt niet toegelaten.

Lid C. Gebruik van de grond voor bebouwing.

Op of in de tot “agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden” aangewezen gronden mag niet worden gebouwd, behoudens ter plaatse van de op de plankaart aangeduide “stal”, waar uitsluitend één stal mag worden gebouwd, met dien verstande, dat:

  1. oppervlakte en goot- en nokhoogte van bouwwerken ten hoogste de bestaande oppervlakte en hoogte mogen bedragen.

Lid D. Gebruik van de grond anders dan voor bebouwing.

Onder strijdig gebruik als bedoeld in artikel 5, lid A. wordt ten minste verstaan het gebruik van gronden:

  1. als staan- of ligplaats voor onderkomens, behoudens voor zover en voor zolang de aanwezigheid van onderkomens nodig is in verband met in het agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden uit te voeren werken of werkzaamheden;
  2. voor sport-, wedstrijd- of speelterreinen, parkeerterreinen, zwemgelegenheden, maneges, lig- en speelweiden anders dan ten behoeve van extensief recreatief medegebruik;
  3. voor het beproeven van voertuigen; voor de beoefening van de motorsport; voor het houden van wedstrijden met motorrijtuigen, of bromfietsen;
  4. voor het racen of crossen met motorrijtuigen, mountainbikes of bromfietsen, met uitzondering van het racen of crossen met mountainbikes wanneer dit plaats vindt op een (regionale) mountainbikeroute;
  5. voor militaire oefeningen, met uitzondering van marsoefeningen, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van voertuigen;
  6. voor het winnen van bosstrooisel, mos of mergel;
  7. als staanplaats voor wagens, geschikt en bestemd voor de uitoefening van handel;
  8. als camping;
  9. voor kassen;
  10. voor opslag;
  11. voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden ten behoeve van doeleinden als omschreven in dit lid onder 1. tot en met 10..

Lid E. Werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden waarvoor een aanlegvergunning vereist is.

  1. het is verboden op of in de tot “agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden” aangewezen gronden, zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning (aanlegvergunning) van Burgemeester en Wethouders, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het amoveren van wegen, het aanleggen of verharden van wegen, paden op parkeergelegenheden, picknickplaatsen en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  2. het ontginnen, bodem verlagen of afgraven, het ophogen, het egaliseren;
  3. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur, tenzij zulks noodzakelijk is voor of verband houdt met het op de bestemming gericht gebruik van de grond;
  4. het verwijderen van landschapselementen.
  1. het in dit lid, onder a. bepaalde is niet van toepassing voor:
  1. werkzaamheden, normale onderhoudswerkzaamheden zijnde;
  2. werken of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis;
  3. werken of werkzaamheden binnen het kader van de normale bodemexploitatie en het normale bodemgebruik;
  4. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning, vrijstelling of anderszins mogen worden uitgevoerd;
  5. het periodiek kappen van hakhout, voor zover betreffende de normale uitoefening van het op het tijdstip van het van kracht worden van het plan bestaande bodemgebruik.
  1. de werken of werkzaamheden als bedoeld in dit lid, onder a. zijn slechts toelaatbaar, indien door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de in de leden A. en B. genoemde waarden, belangen en doeleinden niet onevenredig worden aangetast dan wel de mogelijkheden voor het herstel van de eerstbedoelde waarden niet wezenlijk worden verkleind.

Lid F. Vrijstellingsbevoegdheid.

Burgemeester en Wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid C. ten behoeve van het bouwen van andere bouwwerken voor extensief recreatief medegebruik (zit- en schuilgelegenheid, picknickplaatsen), met dien verstande, dat:

  1. de goothoogte ten hoogste 2.50 m mag bedragen,

mits:

  • geen onevenredige schade wordt toegebracht aan de in de aanhef van dit artikel genoemde waarden en doeleinden.