Plan:
BP Mheer
Status:
vastgesteld
Versie:
1
Plantype:
ex art. 10 WRO beheer/ontwikkeling
IMRO-idn:
NL.IMRO.09360000BPLKOM06000-
Artikel 22 leidingzone ondergrondse leidingen.

Lid A. Doeleindenomschrijving:

de op de plankaart als zodanig aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. ondergrondse leidingen voor het transporteren van gas, ter plaatse van de zodanig aangeduide strook en voor de daarbij aangegeven breedte (direct ruimtebeslag),

met daaraan ondergeschikt:

b. de andere aan de gronden gegeven bestemmingen.

Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen het op de plankaart aangegeven:

- beschermd dorpsgezicht,

zijn primair de desbetreffende bepalingen van toepassing.

Lid B. Beschrijving in hoofdlijnen:

1. ter verwezenlijking van de onder lid A. beschreven doeleinden wordt het volgende beleid gevoerd:

1.1. ter plaatse van het directe ruimtebeslag van de ondergrondse leidingen worden activiteiten, die het bedrijfszeker en -veilig functioneren van leidingen kunnen schaden geweerd. Derhalve worden beperkingen opgelegd aan de mogelijkheden tot bebouwing en gebruik van de grond dat tot beschadiging van de leiding kan leiden.

Lid C. Gebruik van de grond voor bebouwing:

1. op de tot "leidingzone ondergrondse leidingen" aangewezen gronden mogen, in afwijking van het bepaalde in de afzonderlijke artikelen, uitsluitend worden gebouwd:

a. bouwwerken van geringe omvang ten dienste van de betreffende leiding,

met dien verstande, dat:

1.1. de hoogte ten hoogste 3.20 m mag bedragen.

Lid D. Gebruik van de grond anders dan voor bebouwing:

1. onder strijdig gebruik als bedoeld in artikel 5, lid A, wordt ten minste verstaan het gebruik van de grond:

1.1. op een wijze die gevaar kan opleveren voor de leiding of aan het functioneren van de leiding afbreuk doen;

1.2. voor het uitvoeren van ontgrondingen;

1.3. voor het aanbrengen van gesloten oppervlakteverharding;

1.4. voor het aanbrengen van diep wortelende beplanting;

1.5. voor het verrichten van grondwerkzaamheden anders dan normaal spit- en ploegwerk;

1.6. voor het verrichten van grondophogingen.

2. de verbodsbepaling onder 1.2. t/m 1.6. geldt niet voor werken en werkzaamheden vallend onder normaal agrarisch onderhoud en gebruik, waaronder normaal spit- en ploegwerk anders dan diepploegen en voor zover de belangen in verband met de leidingen hierdoor niet worden geschaad.

Lid E. Vrijstellingsbevoegdheid:

1. Burgemeester en Wethouders kunnen, gehoord de leidingbeheerder, vrijstelling verlenen van de bepalingen in lid D., onder 1.2. t/m 1.6. ten aanzien van de vermelde activiteiten, mits deze geen gevaar opleveren voor de leiding of aan het functioneren van de leiding geen afbreuk doen en/of door het aan de vrijstelling verbinden van voorwaarden een en ander kan worden voorkomen.