Plan:
BP St. Geertruid
Status:
vastgesteld
Versie:
1
Plantype:
ex art. 10 WRO beheer/ontwikkeling
IMRO-idn:
NL.IMRO.09360000BPLKOM09000-
Artikel 12 dorpsvoorzieningen, verspreid:

 

Lid A.        Doeleindenomschrijving:

de op de plankaart als zodanig aangewezen gronden zijn bestemd voor bestaande, ter

plaatse reeds gevestigde dorpsvoorzieningen, overeenkomstig de met onderstaande lijst

corresponderende aanduiding op de plankaart:

  1. verhuur rijwielen;
  2. bank;
  3. hotel-pension;
  4. friture;
  5. verkoop van zand, grind e.d.;
  6. verkoop zuivel- en kruidenierswaren;
  7. verkoop rijwielen en ijzerwaren,

alsmede voor daarmee naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders qua aard, omvang en effecten op de omgeving vergelijkbare voorzieningen, en voor wonen.

 

Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de/het op de plankaart aangeduide:

  • beschermd dorpsgezicht;
  • leidingzone ondergrondse leidingen,

zijn primair de desbetreffende bepalingen van deze voorschriften van toepassing.

 

Lid B.        Beschrijving in hoofdlijnen:

1.       ter verwezenlijking van de onder lid A. beschreven doeleinden wordt het volgende beleid gevoerd:

1.1.    bestaande dorpsvoorzieningen buiten het concentratiegebied voor de dorpsvoorzieningen aan de Dorpstraat/Schoolstraat worden gehandhaafd en voorzien van een uitbreidingsmogelijkheid, welke past binnen de aangrenzende woonomgeving.

1.2.  de bestemming "dorpsvoorzieningen, verspreid" gaat uit van de aanwezigheid per bouwperceel van een dorpsvoorziening met één  bedrijfs- c.q. dienstwoning. Na beëindiging van het gebruik voor een dorpsvoorziening, waaronder begrepen wordt dat gedurende twee jaar deze functie daadwerkelijk niet meer is uitgeoefend, gaat de bestemming onomkeerbaar uit van alleen woondoeleinden in één woning per bouwperceel.

 

Lid C.        Gebruik van de grond voor bebouwing:

op de tot "dorpsvoorzieningen, verspreid" aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:

  1. gebouwen, geen woning zijnde, ten behoeve van het in de aanhef toegestane gebruik;
  2. één (bedrijfs)woning per bouwperceel, en de daarbij behorende bijgebouwen en andere bouwwerken, welke qua aard en afmetingen bij deze bestemming passen, met dien verstande, dat:

1. gebouwen uitsluitend in het bouwvlak en bijbouwvlak mogen worden gebouwd.

2. ten aanzien van het bouwvlak:

2.1.    de voorgevel in of evenwijdig aan de naar de weg gekeerde bouwgrens zal worden gebouwd, met dien verstande, dat de voorgevel nimmer meer dan 3.00 m uit de naar de weg gekeerde bouwgrens mag worden gebouwd;

2.2.    de voorgevelbreedte ten minste 5.00 m zal bedragen;

2.3.    in ten hoogste 2 bouwlagen zal worden gebouwd, ieder afzonderlijk met een hoogte van ten minste 2.40 m en ten hoogste 3.50 m;

2.4.    gebouwen met een zadeldak van ten minste 30° en ten hoogste 60° zullen worden afgedekt.

3. ten aanzien van het bijbouwvlak:

3.1.    het bijbouwvlak per bouwperceel voor ten hoogste 40 % bebouwd mag worden, met dien verstande dat het totaal oppervlak aan bijgebouwen per bouwperceel ten hoogste 60 m² of, indien dit meer is, 50% van het oppervlak van het bouwvlak mag bedragen;

3.2.    bijgebouwen vrijstaand op ten minste 1.00 m afstand van het bouwvlak of aangebouwd zullen worden opgericht;

3.3.    in of ten minste 1.00 m uit de zijdelingse erfscheiding zal worden gebouwd;

3.4.    in ten hoogste 1 bouwlaag mag worden gebouwd, waarvan de goothoogte ten hoogste 3.00 m mag bedragen;

3.5.    de nokhoogte van bijgebouwen ten hoogste 6.00 m mag bedragen.

4.  de hoogte van andere bouwwerken ten hoogste 5.00 m mag bedragen, met uitzondering van de hoogte van erfafscheidingen, welke voor de naar de weg gekeerde bouwgrens ten hoogste 1.00 m en achter de naar de weg gekeerde bouwgrens ten hoogste 2.00 mag bedragen.

 

Lid D.        Gebruik van de grond anders dan voor bebouwing:

1. onder strijdig gebruik als bedoeld in artikel 5, lid A. wordt verstaan het gebruik van de grond anders dan voor:

1.1.    parkeervoorzieningen;

1.2.    tuin en/of groenvoorzieningen;

1.3.    opslagdoeleinden, inherent aan het toegelaten gebruik.

 

Lid E.        Gebruik van opstallen:

1. onder strijdig gebruik als bedoeld in artikel 6, lid A. wordt ten minste verstaan het gebruik van opstallen voor:

1.1.    ambachtelijke en/of industriële doeleinden;

1.2.    groothandel;

1.3.    horecadoeleinden;

1.4.    opslagdoeleinden, anders dan inherent aan het toegelaten gebruik.

2.  onder strijdig gebruik als bedoeld in artikel 6, lid A. wordt ten minste verstaan het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning als zelfstandige woning.

 

Lid F.        Vrijstellingsbevoegdheid:

Burgemeester en Wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in:

1. lid C., onder 2.1., ten aanzien van het niet evenwijdig aan de naar de weg gekeerde bouwgrens bouwen van de voorgevel, mits

  • geen onevenredige aantasting van het stedenbouwkundig beeld plaatsvindt.

2. lid C., onder 2.4., ten aanzien van het toepassen van een andere dakvorm,mits:

  • geen onevenredige aantasting van het stedenbouwkundig beeld plaatsvindt.

3. lid E., onder 1.1., voor het uitoefenen van consumentverzorgende en  kleinschalige ambachtelijke bedrijfjes,  mits:

  • er geen afbreuk wordt gedaan aan het karakter van de buurt;
  • het woonmilieu niet onevenredig wordt geschaad, dit betekent dat categorie 1 en maximaal 2 (VNG brochure "Bedrijven en milieuzonering", 1999) in beginsel toelaatbaar zijn;
  • er geen extra verkeersmaatregelen of parkeervoorzieningen noodzakelijk worden;
  • er geen zelfstandige vorm van detailhandel (uitgezonderd beperkte verkoop, inherent aan de betreffende activiteit) ontstaat.

 

Lid G.        Wijzigingsbevoegdheid.

Burgemeester en Wethouders kunnen de bestemming wijzigen in de bestemming:

1. "woondoeleinden", ten behoeve van de realisering van woningen, bij voorkeur voor ouderenhuisvesting, met dien verstande, dat:

1.1.  de inhoud van een woning ten minste 250 m3 en ten hoogste 500 m3 mag bedragen;

1.2.  bij wijziging wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 10, mits:

  • het betreft bebouwing gelegen binnen de bestemming "beschermd dorpsgezicht";
  • het betreft bebouwing gelegen binnen de bestemming "beschermd dorpsgezicht";
  • de activiteiten samenhangend met de dorpsvoorziening ter plaatse zijn beëindigd;
  • de noodzaak daartoe, ten behoeve van het instandhouden van monumentale, grootschalige bebouwing is aangetoond;
  • de totstandkoming van een goed woonklimaat in de te realiseren woningen gegarandeerd kan worden, c.q. geen milieuhygiënische bezwaren tegen realisering van de woningen bestaan;
  • de woningbouw past binnen de provinciale richtcijfers qua aantal en fasering;
  • de geluidbelasting, blijkens een geluidsniveaukaart dan wel akoestisch onderzoek, niet hoger is dan de voor wegverkeerslawaai geldende voorkeursgrenswaarden, of een hogere grenswaarde in het kader van de Wet geluidhinder is verleend. In het laatste geval moeten de verblijfsruimten van de woning in overwegende mate aan de geluidluwe zijde worden gesitueerd;
  • de bodem, blijkens bodemonderzoek vooraf, niet zodanig verontreinigd is, dat bezwaren bestaan tegen de realisering van woningen;
  • geen verstoring van de parkeerbalans in de omgeving plaatsvindt;
  • aangrenzende waarden en belangen niet onevenredig worden aangetast.

2. Burgemeester en Wethouders volgen bij het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid, de in afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht omschreven procedure.