Plan:
BP St. Geertruid
Status:
vastgesteld
Versie:
1
Plantype:
ex art. 10 WRO beheer/ontwikkeling
IMRO-idn:
NL.IMRO.09360000BPLKOM09000-
Artikel 15 agrarische bedrijfsdoeleinden.

Lid A.† ††††† Doeleindenomschrijving:

de op de plankaart als zodanig aangewezen gronden zijn bestemd voor agrarische bedrijfsdoeleinden en de daarbij behorende voorzieningen en voor wonen.

Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen het op de plankaart aangeduide:

  • † beschermd dorpsgezicht,

zijn primair de desbetreffende bepalingen van deze voorschriften van toepassing.

Lid B.† ††††† Beschrijving in hoofdlijnen:

1.† ter verwezenlijking van de onder lid A. beschreven doeleinden wordt het volgende beleid gevoerd:

1.1. †† gestreefd wordt naar continuering van de bestaande agrarische bedrijven. Daartoe is de omvang van de toegekende bouwblokken en de daarop aanwezige bouwmogelijkheden afgestemd op de huidige grootte van de agrarische bedrijven met uitbreidingsmogelijkheden voor:

  • het realiseren van concrete plannen;
  • het veilig stellen van de bedrijfseconomische continuÔteit;
  • het omschakelen naar minder milieu belastende productietechnieken;
  • het verplaatsen van bedrijfsonderdelen die hinder veroorzaken, zoals stallen, mestopslag, brandstofopslag en machineberging;
  • het vergroten van de afstand tot niet-agrarische bebouwing;
  • het verbeteren van het welzijn van dieren. Bij de bepaling van de omvang van de bouwblokken is mede rekening gehouden met de milieuhygiŽnische ruimte.

1.2.† † gestreefd wordt naar landschappelijke inpassing van de agrarische bebouwing. Daartoe kunnen Burgemeester en Wethouders bij nieuwbouw, waarbij landschappelijke belangen in het geding zijn, zo nodig om landschappelijke inpassing van de bebouwing vragen. Binnen het bestemmingsvlak is daartoe ruimte gereserveerd.

1.3.† † omschakeling van een bestaand grondgebonden bedrijf naar een niet-grondgebonden bedrijf is niet toegestaan.

1.4.† † mestopslag dient binnen het bouwvlak plaats te vinden en is slechts toegestaan tot een maximale maat van 2.500 m3.

1.5.† † het gebruik van de gronden als kampeerterrein zoals bedoeld in de Wet op de Openluchtrecreatie, waaronder begrepen kamperen bij de boer, wordt niet toegelaten.

1.6.† † boogkassen/tunnels zijn enkel toelaatbaar als ondersteunende activiteit bij de agrarische bedrijfsvoering, tot een maximum oppervlak van 2.500 m≤.

Lid C.† ††††† Het gebruik van de grond voor bebouwing:

1. op de tot "agrarische bedrijfsdoeleinden" aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:

  1. gebouwen, geen woning zijnde,† ten behoeve van het in de aanhef genoemde gebruik;
  2. ťťn bedrijfswoning per bouwperceel, tenzij anders aangeduid op de plankaart, en de daarbij behorende andere bouwwerken, welke qua aard en afmeting bij deze bestemming passen, met dien verstande dat:

1.1.† †††† gebouwen uitsluitend in het bouwvlak mogen worden gebouwd;

1.2.† †††† de voorgevel in of evenwijdig aan de naar de weg gekeerde bouwgrens zal worden gebouwd;

1.3.† †††† de goothoogte van gebouwen, geen woning zijnde, ten hoogste 6.50 m mag bedragen;

1.4. ††††† een bedrijfswoning in ten hoogste 2 bouwlagen mag worden gebouwd, ieder afzonderlijk met een hoogte van ten minste 2.40 m en ten hoogste 3.20 m;

1.5.† †††† de inhoud van een bedrijfswoning ten minste 250 m3 zal en ten hoogste 750 m3 mag bedragen;

1.6.† †††† gebouwen met een kap van ten minste 30† en ten hoogste 60† zullen worden afgedekt;

1.7.† ††††de hoogte van andere bouwwerken ten hoogste 8.00 m mag bedragen, met uitzondering van de hoogte van erfafscheidingen welke ten hoogste 2.00 mag bedragen;

1.8.††††† de hoogte van boogkassen/tunnels ten hoogste 3.25 m mag bedragen.

Lid D.† ††††† Gebruik van de grond anders dan voor bebouwing:

1. onder verboden gebruik, zoals bedoeld in artikel 5, lid A., wordt verstaan het gebruik anders dan voor:

1.1.† † open bedrijfsterrein;

1.2.† † tuin en/of groenvoorzieningen;

1.3.† † opslagdoeleinden, uitsluitend binnen het bouwvlak en inherent aan het toegelaten gebruik.

Lid E.† ††††† Gebruik van opstallen:

1. onder verboden gebruik zoals bedoeld inartikel 6, lid A., wordt ten minste verstaan het gebruik van opstallen voor:

1.1.† † ambachtelijke en/of industriŽle doeleinden;

1.2.† †detailhandel, anders dan in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, verwerkt of bewerkt, dan wel waarvan de verkoop inherent en van ondergeschikte betekenis is aan het toegelaten bedrijf;

1.3.† † groothandel;

1.4.† † horecadoeleinden;

1.5.† † opslagdoeleinden, anders dan inherent aan het toegelaten gebruik.

Lid F.† ††††† Vrijstellingsbevoegdheid:

Burgemeester en Wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in:

1. lid A., ten behoeve van het toestaan van andere activiteiten dan agrarische bedrijfsdoeleinden, in het kader van de dynamische ontwikkeling van het landelijk gebied en ter versterking van de recreatieve functie van het platteland, zoals de uitoefening van activiteiten op het gebied van ambachtelijke nijverheid, horeca, boerderijverkoop, expositie en tentoonstelling, cultuur en educatie, gezondheidsrecreatie en/of daarmee qua aard en omvang naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders gelijk te stellen activiteiten, mits:

  • de agrarische functie in overwegende mate gehandhaafd blijft;
  • aangrenzende waarden en belangen niet onevenredig worden geschaad;
  • de aanwezige infrastructuur niet onevenredig wordt belast als gevolg van de verkeersafwikkeling.

2. lid A., ten behoeve van het realiseren van vakantie-appartementen, met dien verstande, dat:

2.1.† † het oppervlak van een vakantie-appartement ten minste 60 m≤ zal en ten hoogste 100 m≤ mag bedragen., mits:

  • de noodzaak daartoe, ten behoeve van het instandhouden van monumentale, grootschalige bebouwing, is aangetoond;
  • de cultuurhistorische en/of architectonische waarden van de bebouwing behouden blijven;
  • de agrarische bedrijfsfunctie van de bebouwing in overwegende mate gehandhaafd blijft;
  • de totstandkoming van een goed verblijfsklimaat in de te realiseren vakantieappartementen gegarandeerd kan worden;
  • geen verstoring van de parkeerbalans in de omgeving plaatsvindt;
  • geen verstoring van de lokale structuur van overnachtingsmogelijkheden plaatsvindt;
  • aangrenzende waarden en belangen niet onevenredig worden aangetast.

3. lid C, onder 1.b., ten behoeve van het oprichten van een tweede bedrijfswoning, met dien verstande, dat:

3.1.† † het bepaalde in lid C. van dit artikel van overeenkomstige toepassing is, mits:

  • het een bedrijf met een zogenaamde toezichthoudende tak betreft. Toezichthoudende takken zijn: melkkoeien, zoogkoeien, fokzeugen, fokpaarden, tuinbouw open grond, boomteelt en sierteelt;
  • de omvang van de toezicht houdende tak(ken) van dien aard is dat een tweede bedrijfswoning gemotiveerd kan worden;
  • het bedrijf een toekomstperspectief heeft van tenminste 10 jaar, waarbij de aanwezigheid van twee ondernemers als vaste arbeidskracht voor een zelfde periode verzekerd is;
  • de geluidbelasting, blijkens een geluidsniveaukaart dan wel akoestisch onderzoek, niet hoger is dan de voor wegverkeerslawaai geldende voorkeursgrenswaarden, of een hogere grenswaarde in het kader van de Wet geluidhinder is verleend. In het laatste geval moeten de verblijfsruimten van de woning in overwegende mate aan de geluidluwe zijde worden gesitueerd;
  • de bodem, blijkens bodemonderzoek vooraf, niet zodanig verontreinigd is, dat bezwaren bestaan tegen de realisering van de woning.

4.† lid C., onder 1.1., ten behoeve van het overschrijden van de bouwgrenzen, respectievelijk het vergroten van het bouwvlak, mits:

  • de noodzaak daartoe vanuit de bedrijfsvoering is aangetoond;
  • landschappelijke en cultuurhistorische waarden en belangen en het aangrenzende woon- en leefmilieu niet onevenredig worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van bedoelde waarden niet wezenlijk worden verkleind.

5. lid C., onder 1.3 en 1.7., ten behoeve van het vergroten van de goothoogte van gebouwen, geen woning zijnde, en de hoogte van andere bouwwerken, geen erfafscheidingen zijnde, met dien verstande, dat:

5.1. †† de goothoogte van gebouwen, geen woning zijnde, ten hoogste 8.00 m mag bedragen;

5.2. †† de hoogte van andere bouwwerken ten hoogste 15.00 m mag bedragen, mits:

  • †† landschappelijke en cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast;
  • †† het stedebouwkundige beeld niet onevenredig wordt aangetast;
  • †† aangrenzende waarden en belangen niet onevenredig worden geschaad.

6.† lid C., onder 1.5., ten behoeve van het vergroten van de maximale inhoud van de voor bewoning toegestane ruimte binnen de bestaande bebouwing ten behoeve van de huisvesting van de rustende boer, met dien verstande, dat:

6.1.† † de inhoud ten hoogste 1000 m3 mag bedragen, mits:

  • †† dit niet leidt tot een zelfstandige extra woning.

Lid G.† ††††† Wijzigingsbevoegdheid.

Burgemeester en Wethouders kunnen de bestemming wijzigen in de bestemming:

1.† "woondoeleinden", met dien verstande, dat:

1.1.† † de bouwmassa niet mag toenemen, wat tot uitdrukking zal worden gebracht door een op de functie afgestemd bouwvlak;

1.2.† † de inhoud van een woning ten minste 250 m3 zal en ten hoogste 750 m3 mag bedragen;

1.3.† † indien meerdere woningen worden gerealiseerd, voorafgaand aan de realisatie het oppervlak aan bijgebouwen per woning teruggebracht is tot ten hoogste 60 m≤ of, indien dit meer is, 50% van het oppervlak van het aangepaste bouwvlak per woning, tenzij:

  • †er sprake is van bijgebouwen met landschappelijke, cultuurhistorische en/of architectonische waarden;
  • er sprake is van bouwkavels van 1000 m≤ per woning, waarbij voorafgaand aan de realisatie het oppervlak aan bijgebouwen moet zijn teruggebracht tot ten hoogste 120 m≤ per woning;

1.4. †† bij wijziging wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 10, mits:

  • de bedrijfsactiviteiten ter plaatse zijn beŽindigd;
  • de cultuurhistorische en/of architectonische waarden van het complex behouden blijven;
  • de totstandkoming van een goed woonklimaat in de te realiseren woningen gegarandeerd kan worden, c.q. geen milieuhygiŽnische bezwaren tegen realisering van de woningen bestaan;
  • de woningbouw past binnen de provinciale richtcijfers qua aantal en fasering;
  • de geluidbelasting, blijkens een geluidsniveaukaart dan wel akoestisch onderzoek, niet hoger is dan de voor wegverkeerslawaai geldende voorkeursgrenswaarden, of een hogere grenswaarde in het kader van de Wet geluidhinder is verleend. In het laatste geval moeten de verblijfsruimten van de woning in overwegende mate aan de geluidluwe zijde worden gesitueerd;
  • de bodem, blijkens bodemonderzoek vooraf, niet zodanig verontreinigd is, dat bezwaren bestaan tegen de realisering van woningen;
  • aangrenzende waarden en belangen niet onevenredig worden aangetast.

2. Burgemeester en Wethouders volgen bij het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid, de in afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht omschreven procedure.