Plan:
Kern Cadier en Keer
Status:
goedgekeurd met uitzondering van onthoudingen
Plantype:
ex art. 10 WRO beheer/ontwikkeling
Artikel 8. woondoeleinden
Lid A. Doeleindenomschrijving:

de op de plankaart als zodanig aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen en de daarbij behorende voorzieningen.

Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de op de plankaart aangeduide “leidingzone ondergrondse leidingen”, zijn ook de desbetreffende bepalingen van dat voorschrift van toepassing.

Lid B. Beschrijving in hoofdlijnen:

1. ter verwezenlijking van de onder lid A. beschreven doeleinden wordt het volgende beleid gevoerd:

1.1. bestaande woningen worden, voor zover mogelijk in verband met de perceelsomvang en de bestaande diepte van de woningen, voorzien van een uitbreidingsmogelijkheid ter realisering van een naar de eisen van de tijd redelijk wooncomfort. Daarbij wordt behoud van de herkenbaarheid, als vrijstaande, halfvrijstaande of geschakelde woning, nagestreefd.

1.2. onderscheid in bouwmogelijkheden naar hoogte, oppervlak en situering, leidt niet tot onderscheid in gebruiksmogelijkheden. De gebruiksmogelijkheden worden beperkt tot normaal gebruik in relatie tot de woonbestemming. Aan huis gebonden beroepen (met detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit) zijn toegestaan, mits de woonfunctie van het perceel in overwegende mate gehandhaafd blijft, geen onevenredig nadelige gevolgen voor het woonmilieu ontstaan en er geen zelfstandige vorm van detailhandel (uitgezonderd beperkte verkoop, inherent aan de betreffende activiteit) ontstaat.

1.3. het toevoegen van een woning aan het aantal woningen aanwezig binnen een bouwvlak op het moment van tervisielegging van dit plan (woningsplitsing) is niet toegestaan.

1.4. bij iedere grondgebonden woning dient parkeergelegenheid voor minimaal 1 auto op eigen terrein aanwezig te zijn.

1.5. het realiseren van voorzieningen voor de huisvesting van ouders, kinderen of andere familieleden in (bij)gebouwen, onderdeel uitmakende van de woning, is toegestaan, mits:

- het geen vrijstaande bijgebouwen betreft;

- dit niet leidt tot het creŽren van een zelfstandige woning;

- de totstandkoming van een goed woonklimaat in de betreffende (bij)gebouwen gegarandeerd kan worden;

- de betreffende (bij)gebouwen na het beŽindigen van het huisvesten van de betreffende persoon, opnieuw onderdeel gaan uitmaken van de reeds bestaande woning.

Lid C. Gebruik van de grond voor bebouwing:

op de tot "woondoeleinden" aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:

a. woningen,

met de daarbij behorende bijgebouwen en andere bouwwerken, welke qua aard en afmetingen bij deze bestemming passen, met dien verstande dat:

1. gebouwen uitsluitend in het bouwvlak en bijbouwvlak mogen worden gebouwd.

2. ten aanzien van het bouwvlak:

2.1. de voorgevel in of nagenoeg evenwijdig aan de naar de weg gekeerde bouwgrens zal worden gebouwd. Bij een gebogen bouwgrens mag de voorgevel ook in of nagenoeg evenwijdig aan de raaklijn van het midden van de voorgevel aan de bouwgrens worden gebouwd;

2.2. de voorgevelbreedte van de woning ten minste 5.00 m zal bedragen;

2.3. in ten hoogste het op de plankaart aangeduide aantal bouwlagen of, voor zover een aanduiding op de plankaart ontbreekt, in 2 bouwlagen mag worden gebouwd, ieder afzonderlijk met een hoogte van ten minste 2.60 m en ten hoogste 3.20 m, waarbij de goothoogte niet meer bedraagt dan de som van de hoogtes van de afzonderlijke bouwlagen waaruit het gebouw is opgebouwd, vermeerderd met 1.00 m;

2.4. gebouwen met een plat dak of een zadeldak van ten minste 30į en ten hoogste 60į zullen worden afgedekt;

2.5. nieuwe vrijstaande woningen aan beide zijden en nieuwe halfvrijstaande en door garages geschakelde woningen aan ťťn zijde, op ten minste 2.50 m uit de zijdelingse perceelsgrenzen zullen worden gebouwd, waarbij de tussen de woning en de zijdelingse perceelsgrens liggende perceelsgedeelten op 3.00 m of meer achter de naar de weg gekeerde bouwgrens worden gerekend tot het bijbouwvlak, waarop het bepaalde onder 3. van dit lid van toepassing is.

2.6. Indien een bijgebouw wordt opgericht in het bouwvlak zijn niet de bepalingen ten aanzien van het bouwvlak van toepassing, maar het bepaalde onder 3. van dit lid van toepassing.

3. ten aanzien van het bijbouwvlak:

3.1. het bijbouwvlak per bouwperceel voor ten hoogste 40 % bebouwd mag worden;

3.2. bij grondgebonden woningen, onverminderd het bepaalde onder 3.1., het totaal oppervlak aan bijgebouwen per bijbouwvlak ten hoogste 60 m≤ of, indien dit meer is, 50% van het oppervlak van het bouwvlak mag bedragen, met een maximum van 70 m≤ voor (grotendeels) buiten de door de provincie Limburg bepaalde rode contour, zoals weergegeven in bijlage 4 bij de voorschriften, gelegen bijbouwvlakken;

3.3. bij niet-grondgebonden woningen/woongebouwen het totaal oppervlak aan bijgebouwen per woning ten hoogste 20 m≤ mag bedragen met een maximum per bouwperceel van 160 m≤ en 50% van het tot het bouwperceel behorende bijbouwvlak;

3.4. bijgebouwen vrijstaand op ten minste 1.00 m afstand van het bouwvlak of aangebouwd zullen worden opgericht;

3.5. in of ten minste 1.00 m uit de zijdelingse perceelsgrens zal worden gebouwd;

3.6. in ten hoogste 1 bouwlaag mag worden gebouwd, waarvan de goothoogte ten hoogste 3.00 m mag bedragen;

3.7. de nokhoogte van bijgebouwen ten hoogste 6.00 m mag bedragen.

4. de hoogte van andere bouwwerken ten hoogste 3.00 m mag bedragen, met uitzondering van de hoogte van erfafscheidingen, welke voor de naar de weg gekeerde bouwgrens ten hoogste 1.00 m en achter de naar de weg gekeerde bouwgrens ten hoogste 2.00 mag bedragen.

Lid D. Gebruik van de grond anders dan voor bebouwing:

1. onder strijdig gebruik als bedoeld in artikel 5, lid A. wordt verstaan het gebruik van de grond anders dan voor:

1.1. tuin en erf;

1.2. agrarische doeleinden van ondergeschikte betekenis;

1.3. opslagdoeleinden, inherent aan het toegelaten gebruik.

Lid E. Gebruik van opstallen:

1. onder strijdig gebruik als bedoeld in artikel 6, lid A. wordt ten minste verstaan het gebruik van opstallen voor:

1.1. consumentverzorgende ambachtelijke doeleinden;

1.2. detail- en/of groothandel;

1.3. horecadoeleinden;

1.4. opslagdoeleinden, anders dan inherent aan het toegelaten gebruik;

1.5. industriŽle doeleinden.

2. onder strijdig gebruik als bedoeld in artikel 6, lid A. wordt ten minste verstaan het gebruik van bijgebouwen voor bewoning als zelfstandige woning.

Lid F. Vrijstellingsbevoegdheid:

1. lid B., onder 1.3., voor het toevoegen van een woning aan het aantal woningen aanwezig binnen een bouwvlak op het moment van tervisielegging van dit plan, mits:

- het te splitsen gebouw moet binnen de door de provincie Limburg bepaalde rode contour liggen, zoals weergegeven in bijlage 4 bij de voorschriften;

- het te splitsen gebouw een inhoud heeft van ten minste 750 m3;

- de cultuurhistorische en/of architectonische waarden van het complex behouden blijven;

- de totstandkoming van een goed woonklimaat in de te realiseren woningen gegarandeerd kan worden;

- geen strijdigheid ontstaat met de planning, zoals opgenomen in de 'Regionale Woonvisie Maastricht en Mergelland 2010' van de regio Maastricht en Mergelland;

- geen verstoring van de parkeerbalans in de omgeving ontstaat.

2. lid C., onder 1., ten aanzien van het overschrijden van de zijdelingse bouwgrens, met dien verstande, dat:

2.1. ten minste 3.00 m uit de zijdelingse erfscheiding zal worden gebouwd;

2.2. de overschrijding van de zijdelingse bouwgrens maximaal 4.00 m mag bedragen,

mits:

- ten behoeve van de verkeersveiligheid, voldoende afstand tot de bestemming verkeersdoeleinden wordt aangehouden;

- geen onevenredige aantasting van het stedenbouwkundig beeld plaatsvindt.

3. lid C., onder 1., ten aanzien van het overschrijden van de naar de weg gekeerde bijbouwgrens, met dien verstande, dat:

3.1. de afstand van bijgebouwen tot de bestemming "verkeersdoeleinden" ten minste 5.00 m zal bedragen;

3.2. bijgebouwen de lijn, die kan worden getrokken in het verlengde van de naar de weg gekeerde bouwgrens op het naastgelegen perceel, met niet meer dan 3.00 m zullen overschrijden,

mits:

- geen onevenredige aantasting van het stedenbouwkundig beeld plaatsvindt.

4. lid C, onder 2.1. ten aanzien van het niet evenwijdig aan de weg gekeerde bouwgrens bouwen van de voorgevel, mits geen onevenredige aantasting van het stedenbouwkundige beeld plaatsvindt;

5. lid C., onder 2.3., voor het toestaan van een grotere goothoogte bij woningen in 1 bouwlaag met dien verstande, dat:

5.1. de goothoogte maximaal 1½ maal de hoogte van de onderliggende bouwlaag mag bedragen,

mits:

- geen onevenredige aantasting van het stedenbouwkundige beeld plaatsvindt;

- geen onevenredige aantasting van de herkenbaarheid van de woning als zodanig optreedt;

- uitzicht en privacy van derden niet onevenredig worden aangetast.

6. lid C., onder 2.4., ten aanzien van het toepassen van een andere dakvorm, mits geen onevenredige aantasting van het stedenbouwkundig beeld plaatsvindt.

7. lid C., onder 3.1., ten behoeve van het realiseren van nieuwe bijgebouwen op bouwpercelen waarop reeds bestaande bijgebouwen met een totaal oppervlak groter dan 60 m≤ of 50% van het bouwvlak aanwezig zijn, met dien verstande, dat:

7.1. alvorens nieuwe bijgebouwen mogen worden opgericht eerst het teveel aan bestaande bijgebouwen geheel of gedeeltelijk wordt gesloopt;

7.2. de vergroting van het maximale oppervlak aan bijgebouwen ten hoogste 25% van het oppervlak van de te slopen bijgebouwen mag bedragen;

7.3. het maximale oppervlak aan bijgebouwen per bouwperceel ten hoogste 120 m≤ mag bedragen, mits:

- sprake is van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.

8. lid E. onder 1.1 , voor het uitoefenen van consumentverzorgend ambachtelijk bedrijfje, mits:

- het een kleinschalig bedrijfje is;

- er geen afbreuk wordt gedaan aan het karakter van de buurt;

- het woonmilieu niet onevenredig wordt geschaad, dit betekent dat categorie 1 en maximaal 2 (VNG brochure “Bedrijven en milieuzonering”, 1999) in beginsel toelaatbaar zijn;

- er geen extra verkeersmaatregelen of parkeervoorzieningen noodzakelijk worden;

- er geen zelfstandige vorm van detailhandel (uitgezonderd beperkte verkoop, inherent aan de betreffende activiteit) ontstaat.

Lid G. Wijzigingsbevoegdheid:

1. Burgemeester en Wethouders kunnen het deel van de bestemmiing dat is in verband met de aanleg van een rotonde, mits:

- de wenselijkheid daarvan in verkeerskundige zin is aangetoond;

- bij wijziging wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 16;

- de aangrenzende waarden en belangen niet onevenredig worden geschaad.

2. Burgemeester en Wethouders volgen bij het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid de in afdeling 3.4. Algemene wet bestuursrecht omschreven procedure.

Lid H. Nadere eisen:

Burgemeester en Wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van het bepaalde in:

1. lid C., ten aanzien van:

- de situering van bouwwerken;

- de omvang van de tweede bouwlaag, wanneer de bouwgrens op minder dan 3.00 m uit de zijdelingse erfscheiding is gelegen of het bouwvlak dieper is dan 10.00 m,

alleen:

- ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de herkenbaarheid van de woning als zodanig, van de verkeersveiligheid en van het uitzicht en de privacy van derden, of,

- in verband met eisen van duurzaam bouwen.